Subglottische stenose

Informatie voor zorgverleners

Deze pagina is bedoeld voor zorgverleners zoals huisartsen, medisch specialisten en paramedici (bijvoorbeeld longfunctieanalisten en fysiotherapeuten). 

 

Bij vragen over acute ademnood of anesthesie: direct contact opnemen met de behandelend specialist of een gespecialiseerde KNO-arts in een universitair medisch centrum (UMC).

 

Op deze pagina vind je beknopte informatie over subglottische stenose en de behandeling van patiënten. 

Subglottische stenose (SGS) is een uiterst zeldzame aandoening. De etiologie is in veel gevallen idiopathisch. De aandoening wordt de laatste jaren vaker herkend. Voor idiopathische SGS wordt een incidentie van ongeveer 1 op 140.000 personen per jaar gerapporteerd.

De vernauwing bevindt zich typisch in de subglottis, ter hoogte van het cricoidkraakbeen. Ook de eerste trachearingen kunnen betrokken zijn. Persisterende mucosale inflammatie met lokale fibrose is kenmerkend voor het ziektebeeld. De stembanden zijn doorgaans normaal.

Kenmerken van SGS:

  • Persisterende mucosale inflammatie
  • Gelokaliseerde fibrose met vernauwing van het lumen

Dit kan leiden tot progressieve dyspneu en in ernstige gevallen tot een kritieke luchtwegvernauwing met risico op volledige obstructie.

De etiologie is vaak idiopathisch, maar SGS kan ook secundair zijn aan een onderliggende auto-immuunziekte. SGS wordt onder andere geassocieerd met:

  • Granulomatose met polyangiitis (GPA, voorheen ziekte van Wegener)
  • Recidiverende polychondritis (RPC)
  • Systemische lupus erythematosus (SLE)
  • Reumatoïde Artritis (RA)
  • Epidermolysis Bullosa (EB)
  • Sarcoïdose
  • IgG4-gerelateerde ziekte (IgG4-RD)
  • Amyloïdose
  • Mucosaal Membranenpemfigoïd (MMP)
  • Vasculitis

Wat is subglottische stenose?

  • Progressieve dyspnoe, vooral bij inspanning en spreken
  • Inspiratoire stridor, vooral bij inspanning
  • Chronische hoest en moeite met slijm ophoesten
  • Persisterende mucosale ontsteking
  • Vermoeidheid door verhoogde ademhalingsinspanning


Longfunctieonderzoek en peakflow
Longfunctieonderzoek kan helpen bij de diagnose. Bij patiënten met subglottische stenose is de flow-volume curve vaak afwijkend (afgeplatte inspiratoire lus en verlaagde FIV1). Dit is kenmerkend voor een bovenste luchtwegobstructie en niet passend bij astma of COPD.

Peakflowmetingen zijn vaak laag en verbeteren niet na bronchusverwijders, wat SGS eveneens onderscheidt van astma. In de huisartsen en longpraktijk wordt FIV1 niet veel gebruikt. Daarom is er een screeningsparameter die eenvoudig met twee vaak gebruikte waarden kan worden berekend: de Expiratory Disproportion Index.

Die bereken je eenvoudig door de in standaard spirometrie vaak gemeten waarde FEV1 te delen door de PEF en te vermenigvuldigen met 100 (FEV1/PEFx100). Als de Expiratory Disproportion Index hoger is dan 50, zou dat een aanwijzing kunnen zijn voor een subglottische stenose.

Symptomen

Wanneer doorverwijzen?

Routineverwijzing naar een KNO-arts in een UMC is nodig bij:

Verwijzing naar een academisch centrum:

Verwijzing vindt bij voorkeur plaats naar gespecialiseerde behandelcentra (academisch ziekenhuis). Huisartsen en specialisten kunnen (verdachte) patiënten verwijzen via:

Spoedverwijzing is nodig bij:

Patiënten met een subglottische stenose hebben een verhoogd risico op luchtweginfecties en komen daarom in aanmerking voor de griepprik en COVID-vaccinatie in het seizoen. Door verminderde slijmklaring hebben de meeste patiënten baat bij dagelijks vernevelen met NaCl 0.9%. Logopedische en/of fysiotherapeutische begeleiding gericht op ademhalingstechnieken kan ondersteuning bieden. Daarnaast kan fysiotherapie ter verbetering van de algehele conditie bijdragen aan een betere kwaliteit van leven.

Bij vragen over anesthesie of acute ademnood: direct contact opnemen met de behandelend arts of een gespecialiseerde KNO-arts.

Vragen of suggesties? Neem contact met ons op via het contactformulier.

Anesthesie: belangrijke aandachtspunten

Overleg bij geplande operaties vooraf met de behandelend KNO-arts.
  • Vermijd endotracheale intubatie; overweeg alternatieve beademingsmethoden, zoals een larynxmasker of masker-ballonventilatie.

  • Indien endotracheale intubatie nodig is, gebruik een zo klein mogelijke tube en werk onder directe  aryngoscopische of bronchoscopische controle.

  • Voorkom onnodig luchtwegtrauma, om verdere vernauwing
    te vermijden.

Behandeling

De meest voorkomende behandeling is endoscopische dilatatie om de luchtweg tijdelijk te verruimen, eventueel aangevuld met corticosteroïdeninjecties en laserresectie.

Andere behandelingen zijn:

  • Poliklinische steroiden injecties

  • Soms aanvullend systemische immunosuppressiva

  • In ernstige gevallen kan een (crico)tracheale resectie of
    laryngotracheale reconstructie nodig zijn.

Patiënten met een subglottische stenose hebben een verhoogd risico op luchtweginfecties en komen daarom in aanmerking voor een griep en COVID-vaccinatie in het seizoen. Door verminderde slijmklaring hebben de meeste patiënten baat bij dagelijks vernevelen met NaCl 0.9%. Logopedische en/of fysiotherapeutische ondersteuning t.a.v. ademhalingstechnieken. Fysiotherapie ter verbetering van algehele conditie kan bijdragen aan een betere kwaliteit van leven.

Meer informatie over een gewone gift

Een gewone gift is iets anders dan een periodieke gift, die onder voorwaarden volledig aftrekbaar is. Een gewone gift is een losse donatie. Fijn om te geven en soms ook aftrekbaar van de belasting.

Bij een gewone gift geldt een drempel en een maximum voor de aftrek. Je mag alleen het deel van je gift aftrekken dat boven de drempel uitkomt. Die drempel is 1% van je drempelinkomen, met een minimum van € 60. Daarnaast geldt een maximum: je mag nooit meer aftrekken dan 10% van je drempelinkomen.
Het drempelinkomen is het totaal van je inkomsten en aftrekposten in box 1, 2 en 3. Doe je online aangifte, dan vult de Belastingdienst dit bedrag meestal al voor je in.

Check voor de meest actuele informatie de website van de Belastingdienst.